Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

Intimidatie van wetenschappers lijkt steeds serieuzere vormen aan te nemen, constateert Martijn Dekker, politiek antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam. Hoe komt dat en wat verklaart deze stortvloed aan bedreigingen?

Martijn Dekker: 'Er is gelukkig steeds meer aandacht voor de intimidatie van wetenschappers'

Het gebeurt mij gelukkig niet heel regelmatig, maar zo nu en dan ontvang ik een korte mail, of een berichtje via Twitter of Instagram, waarin een anonieme persoon mij — laten we het ietwat subtiel formuleren — voor “rotte vis” uitmaakt. Slechts een enkele keer gaat het daadwerkelijk om een bedreiging. Ik heb echter collega’s die wel regelmatig, zo niet dagelijks, beledigende en/of bedreigende berichten ontvangen — via mail, maar ook via sociale media.

De mate van haat- en dreigpost hangt voor een belangrijk deel samen met de zichtbaarheid van de wetenschappers in kwestie en, niet onbelangrijk, met de maatschappelijke gevoeligheid van de onderwerpen waar zij zich mee bezighouden. Zo zullen onderzoekers die gespecialiseerd zijn in, bijvoorbeeld, politiek en radicalisering, en alles wat met Covid te maken heeft, relatief vaak doelwit zijn. Ik houd mij zelf bezig met veiligheid in het Midden-Oosten, en met activisme, maar ondanks de potentiële gevoeligheid hiervan, ben ik, blijkbaar, niet heel zichtbaar. Dat neemt niet weg dat ieder negatief bericht toch impact op mijn gemoedstoestand heeft.

Stortvloed aan bedreigingen

Er is gelukkig steeds meer aandacht voor de intimidatie van wetenschappers, die echt steeds serieuzere vormen lijkt aan te nemen. Maar hoe zou dat komen, wat verklaart de stortvloed aan bedreigingen aan het adres van wetenschappers? Er wordt vaak gesproken over wantrouwen in de wetenschap (naast wantrouwen in de politiek en andere publieke instituties), maar de laatste jaren lijkt vertrouwen juist redelijk stabiel, en zelfs hoger dan dat in bijvoorbeeld de journalistiek of de rechtspraak1. Om de bedreigingen van wetenschappers te kunnen begrijpen en aan te pakken, zullen we dus ook andere factoren mee moeten wegen.

Vrouwelijke wetenschappers

Toen ik met collega’s over hun ervaringen sprak, viel me persoonlijk een andere, (potentieel) verklarende factor op—een indicator die vooral met bepaalde gedeelde kenmerken van de wetenschappers in kwestie te maken heeft: hun gender. En hoewel deze constatering voornamelijk gebaseerd is op mijn eigen observaties, hoor en lees ik zoveel instemming van collega’s, dat een uitvoeriger onderzoek wel gerechtvaardigd lijkt.

Wat mij vooral opviel, is dat de beledigingen en bedreigingen vaak anders van aard zijn, als deze aan vrouwelijke wetenschappers gericht worden. Zo zijn ze vaak zeer fysiek, en expliciet seksueel, en worden de getroffenen vrijwel altijd ‘gegenderd’—“…wijf”, “trut”, en erger. Sterker nog, de inhoud lijkt regelmatig van secundair belang, het gaat er vooral om dat de vrouwelijke wetenschappers iets (seksueels) aangedaan moet worden—er moet iets gecorrigeerd worden.

De beledigingen en bedreigingen zijn vaak anders van aard als deze aan vrouwelijke wetenschappers gericht worden

Het lijkt evident dat dreigementen waarin fysiek geweld en verschrikkelijke verkrachtingsfantasieën een hoofdrol spelen, een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel en welzijn van de betrokken wetenschappers, een grotere impact dan een ordinaire belediging (lees: “rotte vis”) heeft. Deze impact wordt door de heftigheid ervan, indirect door de hele academische gemeenschap ervaren, ook door mij, en door collega’s die zelf geen beledigingen of bedreigingen hebben ontvangen. Maar het verschil tussen de berichten die ik ontvang en die mijn vrouwelijke collega’s krijgen, maakt wel dat ik persoonlijk de aan mij gerichte verwensingen relatief eenvoudig met een schouderophalen af kan doen.

Verschil tussen verwensingen en bedreigingen

Het verschil tussen verwensingen en bedreigingen doet vermoeden dat dit fenomeen niet alleen gestoeld is op een algemeen wantrouwen in de wetenschap, maar dat gendergerelateerde frustraties ook een zeer grote rol spelen. De aard en toon van de berichten lijkt er bovendien op te wijzen dat het voornamelijk mannen zijn die zich geroepen voelen om wetenschappers te bedreigen.

Mannelijkheid in twijfel getrokken

En, inderdaad, toen ik nog eens naar mijn eigen verzameling keek, vielen de puzzelstukjes op hun plaats. In een groot deel van de berichten wordt namelijk verwezen naar de nagellak die ik vrijwel altijd draag. Mijn mannelijkheid wordt in twijfel getrokken en ik kan, mede daarom, ook niet serieus genomen worden. Dit doet mij toch echt vermoeden dat de berichten te maken hebben met een zekere frustratie die de afzenders zelf ervaren rondom hun mannelijkheid.

Impact op de hele wetenschapsbeoefening

De bedreigingen aan het adres van wetenschappers zijn een groot probleem, met niet alleen een heftige impact op individuen, maar op de hele wetenschapsbeoefening. Ik ben blij met de toenemende aandacht, ook vanuit de KNAW en de VSNU, en hoop dat we de maatschappelijke discussie kunnen blijven voeren. Maar laten we daarbij wel breder kijken dan alleen naar de plek die universiteiten in de samenleving innemen. Gender lijkt me zeker niet de enige, maar wel een zeer relevante invalshoek, die kan bijdragen aan een bredere, effectievere aanpak.

1Zie bijvoorbeeld deze meerjarige studie van het Rathenau Instituut