Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Sinds de recente erkenning als officiële taal en de vele persconferenties met gebarentolken is er steeds meer aandacht voor Nederlandse Gebarentaal (NGT). Toch bestond er nog geen uitgebreid overzicht van de grammatica van deze taal. Gebarentaalkundige Ulrika Klomp brengt daar verandering in met haar proefschrift 'A descriptive grammar of Sign Language of the Netherlands', dat ze op 5 maart verdedigt.

In haar proefschrift beschrijft Klomp systematisch de verschillende aspecten van NGT, van handvormen en gezichtsuitdrukkingen tot woordvorming en zinsbouw. Daarnaast geeft ze een overzicht van de geschiedenis van de taal en de dovengemeenschap. Een veelgehoord misverstand over NGT is dat het gebaseerd zou zijn op gesproken Nederlands, vertelt de promovenda. ‘Maar NGT is een volwaardige taal met een eigen grammatica, die heel anders is dan de grammatica van gesproken Nederlands. De woordvolgorde is bijvoorbeeld anders, werkwoorden worden op een andere manier vervoegd, en ook de bouwstenen van de twee talen zijn natuurlijk compleet verschillend. In gebarentaal hebben opgetrokken wenkbrauwen bijvoorbeeld een grammaticale functie.’

Opgetrokken wenkbrauwen

Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij voorwaardelijke bijzinnen, blijkt uit het onderzoek van Klomp: zinnen van het type ‘Als het blijft regenen, neem ik de tram.’ Een gebaarder kan zo’n bijzin markeren met een handgebaar, maar ook met opgetrokken wenkbrauwen of een hoofdbeweging.

Ook op het gebied van tijdsmarkering deed Klomp een interessante nieuwe ontdekking: waar in gesproken Nederlands vaak het werkwoord ‘gaan’ wordt gebruikt om toekomende tijd uit te drukken, kun je daar in gebarentaal juist ‘komen’ voor gebruiken. Een zin als ‘Juni komen baby geboren’ betekent dus ‘In juni zal de baby geboren worden.’

Lange tijd verboden

Er was al wel eerder onderzoek gedaan naar NGT, maar een uitgebreide beschrijving van de grammatica bestond nog niet. Dat kwam onder andere door een gebrek aan data, legt Klomp uit. ‘Gebarentaalwetenschap is een jong vakgebied. Pas sinds 2008 hebben we het Corpus NGT, een gigantische dataset met video’s waarin gebaarders te zien zijn in allerlei verschillende gesprekssituaties. Die data heb ik veel gebruikt in mijn promotieonderzoek.’

Dat er pas sinds kort uitgebreid onderzoek wordt gedaan naar NGT, heeft ook te maken met de voorgeschiedenis: lange tijd werd er op gebarentaal neergekeken. Onderwijs in NGT was zelfs tot 1980 verboden, omdat men dacht het voor doven beter was om te leren liplezen. Inmiddels is daar verandering in gekomen en sinds vorig jaar wordt NGT ook erkend als officiële taal. ‘Dat was echt nodig’, zegt Klomp, ‘want NGT is de moedertaal van tienduizend Nederlandse doven en wordt in totaal door zo’n 60.000 mensen gebruikt.’

Iets teruggeven aan de dovengemeenschap

Klomp hoopt dat haar proefschrift bijdraagt aan de algemene kennis over NGT. Haar grammatica kan bijvoorbeeld gebruikt worden in het onderwijs en bij het ontwikkelen van automatische vertalingen met behulp van kunstmatige intelligentie. Daarnaast wil ze met het naslagwerk graag iets teruggeven aan de dovengemeenschap. ‘Ik ben me ervan bewust dat misschien maar weinig niet-taalwetenschappers het echt zullen lezen, maar met mijn proefschrift is er extra kennis over gebarentaal beschikbaar die sommige doven misschien interessant vinden – net zoals ik van alles over gesproken Nederlands niet weet, en het leuk vind om daar af en toe over te lezen.’

Het promotieonderzoek van Ulrika Klomp is onderdeel van SIGN-HUB, een Europees onderzoeksproject waarin onder meer de grammatica’s van zes Europese gebarentalen worden beschreven.